Deuteronomium 25:4-5
4
Een os zult gij niet muilbanden, als hij dorst.
5
Wanneer broeders samenwonen, en een van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw des verstorvenen aan geen vreemden man daarbuiten geworden; haar mans broeder zal tot haar ingaan en nemen haar zich ter vrouw, en doen haar den plicht van eens mans broeder.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein