1 Kronieken 25:7-8
7
En hun getal met hun broederen, die geleerd waren in het gezang des HEEREN, allen meesters, was tweehonderd acht en tachtig.
8
En zij wierpen de loten over de wacht, tegen elkander, zo de kleinen, als de groten, den meester met den leerling.
Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein