Skip to content

Bijbelverzen over Creeping Things: A general term for animals

7 verzen · 4 aspecten

Verzen over A general term for animals

  1. Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.

  2. Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmede op de aarde te springen;

  3. Van die zult gij deze eten: de sprinkhaan naar zijn aard, en de solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.

  4. En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.

  5. Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad, naar haar aard;

  6. En de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol;

  7. Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zo wie die zal aangeroerd hebben, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan den avond.