Naar de inhoud

Jarmuth

6 verses

31.7000, 34.9600 Bekijk op Google Maps

Verzen die Jarmuth noemen

  1. Daarom zond Adoni-Zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-Am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende:

  2. Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen der Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en krijgden tegen haar.

  3. Zij nu deden alzo, en brachten tot hem uit die vijf koningen, uit de spelonk: den koning van Jeruzalem, den koning van Hebron, den koning van Jarmuth, den koning van Lachis, den koning van Eglon.

  4. De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;

  5. Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,

  6. En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,