Skip to content

Parosh

3 verzen

Verzen die Parosh noemen

  1. De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.

  2. En van Israel: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamim, en Eleazar, en Malchia, en Benaja.

  3. De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;