Skip to content

Eliab

6 verzen · 1 familielid

Verzen die Eliab noemen

  1. Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.

  2. Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.

  3. Op den derden dag offerde de overste der zonen van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.

  4. En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Eliab, den zoon van Helon.

  5. En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.

  6. Als Eliab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt.