Naar de inhoud

Elam

5 verzen

Verzen die Elam noemen

  1. De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.

  2. En van de kinderen van Elam, Jesaja, de zoon van Athalja; en met hem zeventig manspersonen.

  3. Toen antwoordde Sechanja, de zoon van Jehiel, een van de zonen van Elam, en zeide tot Ezra: Wij hebben overtreden tegen onzen God, en wij hebben vreemde vrouwen van de volken des lands bij ons doen wonen; maar nu, er is hope voor Israel, dezen aangaande.

  4. En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.

  5. De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;