Skip to content

Psalmen 48

Groot is de HEERE in Sion 1–4

1
Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.
2
De HEERE is groot en zeer te prijzen, in de stad onzes Gods, op den berg Zijner heiligheid.
3
Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad des groten Konings.
4
God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Hoog Vertrek.

God verdedigt Jeruzalem tegen koningen 5–9

5
Want ziet, de koningen waren vergaderd; zij waren te zamen doorgetogen.
6
Gelijk zij het zagen, alzo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg.
7
Beving greep hen aldaar aan, smart als van een barende vrouw.
8
Met een oostenwind verbreekt Gij de schepen van Tharsis.
9
Gelijk wij gehoord hadden, alzo hebben wij gezien in de stad des HEEREN der heirscharen, in de stad onzes Gods; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela.

Gods gerechtigheid aanbidden 10–12

10
O God! wij gedenken Uwer weldadigheid, in het midden Uws tempels.
11
Gelijk Uw Naam is, o God! alzo is Uw roem tot aan de einden der aarde; Uw rechterhand is vol van gerechtigheid.
12
Laat de berg Sion blijde zijn; laat de dochteren van Juda zich verheugen, om Uwer oordelen wil.

Oproep om de heilige stad te bezichtigen 13–15

13
Gaat rondom Sion, en omringt haar; telt haar torens;
14
Zet uw hart op haar vesting; beschouwt onderscheidenlijk haar paleizen, opdat gij het aan het navolgende geslacht vertelt.
15
Want deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot den dood toe.

Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein