Naar de inhoud

Psalmen127

God moet het werk bevestigen

1
Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.
2
Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.

Kinderen zijn een erfdeel van de HEERE

3
Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.
4
Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.
5
Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.
Use arrow keys to navigate
Settings

Reading Style

Typeface

Font Size 19px

Reading Width 45 chars

Options