Psalmen 78:34-36
34
Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;
35
En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.
36
En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong.