Een profetie van het kruis
14
Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.
15
Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
16
Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.
17
Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.
18
Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
Settings