Psalmen 105:28-32
28
Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet wederspannig.
29
Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen.
30
Hun land bracht vorsen voort in overvloed, tot in de binnenste kameren hunner koningen.
31
Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun ganse landpale.
32
Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.
Settings