Psalmen 104:27-29
27
Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
28
Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.
29
Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.