Skip to content
Handelingen 26:4-8

Handelingen 26:4-8

4
Mijn leven dan van der jonkheid aan, hetwelk van den beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden;
5
Als die van over lang mij te voren gekend hebben (indien zij het wilden getuigen), dat ik, naar de bescheidenste sekte van onzen godsdienst, als een Farizeer geleefd heb.
6
En nu sta ik, en word geoordeeld over de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is;
7
Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd.
8
Wat? wordt het bij ulieden ongelofelijk geoordeeld, dat God de doden opwekt?
Settings

Reading Style

Typeface

Font Size 19px

Options