Skip to content
1 Samuel 17:28-29

1 Samuel 17:28-29

28
Als Eliab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt.
29
Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?

Bijbeltekst: Statenvertaling (eBible "De Heilige Schrift 1917") · Publiek domein