Psalmen127
Listen to this chapter
0:00
0:00
God moet het werk bevestigen
1
Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.
2
Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.
Kinderen zijn een erfdeel van de HEERE
3
Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.
4
Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.
5
Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.
Use ← → arrow keys to navigate
Settings
Reading style
Typeface
Font size px
Reading width chars
Options
Study Note